Een ecologisch onderzoek bestaat zelden uit één handeling. Het is een traject dat, afhankelijk van wat je aantreft, een paar weken tot ruim een jaar kan duren.
Stap 1: Bureauonderzoek
Voordat iemand het veld in gaat, kijk je wat er al bekend is: verspreidingsgegevens, eerdere onderzoeken in de omgeving, luchtfoto's en de ligging ten opzichte van beschermde gebieden. Dat bepaalt waar je in het veld op let.
Stap 2: Quickscan in het veld
Eén veldbezoek waarin de ecoloog beoordeelt of het terrein geschikt is voor beschermde soorten. Het doel is vaststellen welke soorten er redelijkerwijs kunnen zitten en of vervolgonderzoek nodig is. Alle soorten aantonen hoort daar nog niet bij.
Stap 3: De conclusie van de quickscan
Grofweg zijn er drie uitkomsten:
- Geen effecten. Je kunt door, meestal met algemene maatregelen vanuit de zorgplicht.
- Effecten uit te sluiten met maatregelen. Bijvoorbeeld werken buiten kwetsbare periodes, of een aangepaste werkwijze.
- Vervolgonderzoek nodig. Er kunnen beschermde soorten zitten, en dat moet worden uitgezocht.
Stap 4: Soortgericht vervolgonderzoek
In deze fase loopt de doorlooptijd op. Per soortgroep gelden onderzoeksperiodes en een minimumaantal rondes. Vleermuisonderzoek loopt bijvoorbeeld over meerdere seizoenen. Reken hier op maanden.
Stap 5: Vergunning en maatregelen
Blijken er verblijfplaatsen te zijn, dan volgt een aanvraag voor een omgevingsvergunning voor een flora- en fauna-activiteit. Daarbij hoort een activiteitenplan met mitigerende maatregelen, alternatieve verblijfplaatsen en een werkprotocol. Ook de behandeltermijn van de aanvraag telt mee in je planning. Soms is een eigen vergunning niet nodig, bijvoorbeeld als je onder een goedgekeurde gedragscode werkt of binnen een gebiedsgerichte vergunning op basis van een soortenmanagementplan.
Stap 6: Uitvoering en controle
Tijdens de uitvoering werk je volgens het werkprotocol, vaak met ecologische begeleiding. Achteraf volgt in veel gevallen monitoring, om te controleren of de maatregelen werken.